Sollicitatie

Hervormd lyceum

Ik zit op een plastic stoel zonder leuning. Zo’n grijze, wiebelende, haast kneedbare stoel waarvan er soms honderden in een kantine of aula staan. Superlichte stoelen die makkelijk stapelbaar zijn. Het is doodstil in school. Zou hier soms met ijzeren hand onderwezen worden? Niets doet denken aan een scholengemeenschap van pakweg twaalfhonderd leerlingen. Toch is het midden in de week en midden op de dag. Een conciërge waar geen lachje van af kon in een blauw trainingspak bracht me zojuist naar mijn plaats.

‘Succes!’ zei hij terwijl hij mij naar één van de grijze stoelen wees. Het lijkt alsof ik in een wachtkamer zit. ‘Schoolarts’ staat er op de lichtblauwe deur. Als ik mijn oren op scherp zet, hoor ik stemmen achter de deur. Ik hoop dat het snel achter de rug is, ik houd niet van solliciteren. Uit het plafond klinkt zacht klassieke muziek. Als ik het goed heb een blokfluitconcertje van Vivaldi. Ik probeer te ontdekken waar het vandaan komt, maar kan geen luidsprekertjes ontdekken. Wel leuk trouwens, een school met akoestisch behang

Mijn gedachten over de vrouw in de cafetaria laten mij nauwelijks los. Ze had iets wat ik niet onder woorden kan brengen. Ik zou naar haar terug willen hollen en ons gesprek voortzetten. Ik weet haast zeker dat ze mij zag zitten.

Plots wordt de deur nogal ruw en een beetje onbehouwen geopend. Ik word binnengelaten in een klein benauwd kamertje, waar ik bijna tegen een staand skelet opbots. Behalve een bureau, staat er een bedbrancard en diverse medische apparaten. Naast een spiegel hangt een kartonnen kaart met grote en kleine letters om ogen te testen. De onderste regel kan ik lezen. Ik krijg een hand toegestoken van rector Van Galen. Achter het grote, metalen bureau zit nog iemand. Van Galen is om en nabij de zestig, schat ik. Hij heeft donkere wallen onder de ogen en er hangt een vetrol over zijn pantalon. Hij rookt pijp, die hij tijdens de verwelkoming in zijn mond houdt. Ook de rest van de bijeenkomst houdt hij het ding in. Ongemanierd. In het kamertje ruikt het naar karamel tabak. De schoolleider draagt een lichtbruin kostuum met daaronder een vaag wit overhemd met een grote, blauw-wit gestreepte stropdas die mij aan de padvinderij doet denken.

‘Zo, daar hebben we de muzikant.’

De rector praat veel te luid, hij schreeuwt bijna. Ik vind het een klote openingszin voor een sollicitatie.

‘Welkom in Amsterdam,’ vervolgt hij, alsof hij burgemeester is.

Zijn hand, die ik nog steeds vasthoudt, is vochtig.

In mijn gedachten zie ik opeens het beeld van de rector van het Bloemkoolcollege. Pieter Jan in zijn kraakheldere zomershirt, waarvan het bovenste knoopje altijd zo sportief open staat. Pieter Jan met zijn gladgeschoren, haast jongensachtige gelaat en zijn zacht fluwelen stemgeluid. Pieter Jan met zijn vlasblonde haar en lichtblauwe ogen. Wat een verschil met deze papzak! De man komt mij onsympathiek over. Dat begint al lekker. Zal ik zeggen dat ik iets vergeten ben en terug hollen naar de cafetaria? De tweede man in het kamertje is ondertussen gaan staan. Van Galen stelt hem voor als conrector Van den Berg.

‘Mijn rechterhand,’ zegt de rector met een grijns, terwijl hij Ven den Berg aankijkt.

‘U komt op een rustig moment,’ zegt de conrector, ‘de school heeft vandaag sportdag.’

Vergeleken met Van Galen heeft hij een aangename stem. Ik schat dat de conrector tien jaar jonger is. Hij oogt in ieder geval slanker en sportiever. Hij is wel vrijwel kaal en een kop kleiner dan zijn baas. Van den Berg draagt een vuurrood poloshirt en aan zijn een pols zit een loei van een horloge met allerlei knopjes en toestanden. Vast en zeker geen klokje dat alleen de tijd aangeeft.

Even later zitten de twee schoolleiders achter het metalen bureau. Rechts van mij Van Galen, die met voldoende beenruimte het beste zit, links, tegen de achterzijde van het ladenblok, Van den Berg. Het lijkt alsof ze aan een toneelstukje gaan beginnen. De twee kijken mij gering­schattend aan, dat idee heb ik in ieder geval, en ik vind het hier niet leuk. Door de conciërge in trainingspak, ‘Mag ik even storen?’, wordt koffie en thee gebracht. Conrector Van den Berg wuift voortdurend de rookwolkjes van zijn buurman weg. De rector lijkt me een autoriteit. Voor de rector ligt de door Kiki geschreven sollici­ta­tiebrief. Ik denk aan de vrouw van de cafetaria. Zou ze getrouwd zijn? Ik zou er straks best nog even langs kunnen gaan om een praatje te maken. Wie weet zou het nog ergens op uit kunnen draai­en. Het lijkt mij gezellig er een vrouw is waar ik af en toe langs kan gaan als ik straks in Amsterdam woon. Ze was in wezen best aardig. Jammer dat ze zoveel treurigheid uitstraalde.

Nadat de rector zich geëxcuseerd heeft dat we vanwege een verbouwing niet in zijn kamer terecht kunnen, vertelt hij over het lyceum, het ontstaan van de school, het bestuur, de ouderraad, de medezeggenschapsraad en meer van dat. Daarna komen de dagopeningen aan de orde.

‘Verplichte dagopeningen,’ laat Van Galen mij weten.

Het is tenslotte een school met de bijbel, moet ik weten. Ik kijk naar de conrector. Ik denk dat hij niet zo met de zaak bezig is. Hij zwijgt en schudt af en toe ja of nee. Verder kijkt hij naar zijn schoenen. Hij zit er wat ongelukkig bij.

‘We laten u volledig vrij in de onderwerpen die u tijdens een dagopening behandelt,’ hoor ik Van Galen zeggen. Het opperhoofd wauwelt door: roosterwensen… orde en netheid in het lokaal… te laat aanwezig­… het verwijderen van een leer­ling­… fietsenstalling­… koffieg­eld… boekenfonds… vaklo­kaal… koffiepau­zes… sur­veilleren op het schoolplein… Conrector Van den Berg trommelt met zijn vingers op een kopie van mijn sollicitatiebrief. Ik heb hem al verschillende malen op zijn reusachtige polshorloge zien kijken, het lijkt alsof hij op de wip zit. Vervolgens wordt medegedeeld dat elke nieuwe docent een mentor krijgt toegewe­zen die om de zoveel tijd een les bij zal wonen. Ik geef aan dat ik dit op zijn minst belachelijk vindt voor iemand die al meer dan vijftien jaar in het onderwijs zit. Om mijn woorden kracht bij te zetten, sla ik mijn ene been over het andere en kijk de twee om beurten recht in de ogen. Op het gorgelen van de pijp na, is het voor een moment stil in het dokterskamertje.

‘Onderschat u de kindertjes uit Amsterdam niet, mijn­heer Veenstra,’ verbreekt de rector met opgeheven vingertje de stilte.

Mijn reet! En dat noemt zich een moderne school! Van den Berg, die ook nog even zijn waarde als conrector wil laten gelden, vraagt me hoe ik een lastige klas tegemoet treed. In een flits schieten enkele voorbeelden van de afgelopen weken voorbij. Ik denk aan Ilona uit klas 3c, die ik nogal onbehouwen op de gang had geknikkerd en aan Ettertje uit klas 1b, die door mijn toedoen met zijn hoofd tegen de muziekkast was geknald en een doos met muziekinstrumentarium over zich heen had gekregen. Maar dergelijke klassensituaties hoef ik niet aan hun neus te hangen, dus ik lul maar wat terug. Voor mij is de gein er toch al af: Eerst een band met de klas scheppen … correct, maar niet te streng optre­den…

Het rinkelen van de telefoon snijdt ons gesprek doormidden.

‘Hervormd Lyceum, Van Galen. Ogenblikje.’

Terwijl hij zijn hand om de microfoon klemt, fluistert hij naar Van den Berg: ‘Laat jij meneer Veenstra het muzieklokaal even zien.’

Gelijktijdig staan we op. In plaats van een hand geef ik Van Galen een lauw afscheidsknikje. Hij kan van mij verder de bout hachelen.

Ik loop met conrector Van den Berg door een lange, grijze gang met links en rechts doodse lokalen. Hier en daar een vergeten jasje aan een kapstok en bekraste klassenfoto’s aan de wand. De conrector lijkt me opgelucht. Hij fluit een voor mij onbekend wijsje. Aan het einde van de gang slaan we rechtsaf en lopen een kleine, betonnen trap af.

‘Hier is het,’ zegt Van den Berg en haalt een bos sleutels uit zijn zak. De stem en de sleutels echoën. Het lijkt alsof ik op dit moment in het onderaardse vastgezet word. De conrector opent de deur en laat mij voor gaan. Ik hap naar adem.

‘Is dit het muzieklokaal?’

‘Mooi afgelegen, vindt u niet?’ zegt de conrector, terwijl hij naar een lichtknopje zoekt.

Ik sta perplex, want deze uit beton en B2-blokken opgetrokken ruimte heeft meer weg van een atoomkelder dan een leslokaal. Ramen ontbreken, grote TL-bakken doen het werk. Aan de muren hangen vergeelde, half verscheurde posters van Queen, David Bowie en Madonna. Op een poster van Beethoven zijn punaises in zijn ogen geprikt, en verder is de afbeelding ontsierd door met viltstift ingetekende hakenkruisen. Een schoolbord met notenbalken geeft aan dat er hier iets met muziek wordt gedaan. Een dertigtal grijze tafeltjes en bruine stoeltjes staan uniform tegen de kant.

‘Het is net een schuilkelder,’ stamel ik.

‘Vindt u?’ Van den Berg rammelt met zijn sleutelbos.

Hij lijkt een cipier en ik zijn gevangene.

‘Wij vinden het de meest geschikte ruimte om lawaai te maken,’ vervolgt hij. ‘Niemand heeft immers last van u? Het is het best geïsoleerde lokaal van de school.’

Ik knik en denk aan mijn prachtige lokaal in Bloemkooldorp met zijn dieprode vloerbedekking, oranje zonneschermen, vitrinekasten vol muziekin­strumenten, kunst aan de muur, het uitzicht over de weilanden, waterpar­tij en biologische tuin. Ik denk aan het uitgebreide drumstel, de zwart glimmende piano, de trompetten, gitaren en strijkinstrumenten aan de wand.

‘Waar staan de muziekspullen?’ vraag ik lusteloos.

‘Welke spullen bedoelt u?’

‘Nou, een piano, een drumstel, een synthesizer…’

Van den Berg lacht luid. Voor een moment doet hij mij aan rector Van Galen denken.

‘Maar beste meneer Veenstra, het is hier geen muziekschool. De piano staat in de aula. Als u die met alle geweld hier wil hebben, wil ik mij daar wel sterk voor maken, maar beloven kan ik niks. Er staat trouwens in de kast een prima stereo-set, inclusief cassetterecorder en platenspeler. Dus moge­lijkhe­den genoeg, zou ik zo zeggen.’

Kerel, krijg wat.

Jezus, wat ben ik blij als ik weer buiten sta. Geluk­kig heb ik mijn reis­geld direct teruggekregen. Wat een shit ­school. Ik heb gevraagd of ik er nog een nachtje over mocht slapen. Dat mocht. Toedeloe!

Uit het Bloemkoolcollege Toon Verbeek