Bach – Weihnachtsoratorium

Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) was een zeer gelovig mens. Hij was een volgeling van Maarten Luther. Bach was organist en cantor. Van 1723 tot zijn dood was hij kerkmusicus en docent in Leipzig. Hij was daar verantwoordelijk voor de muziek in de Thomaskerk. Aan de Thomasschool onderwees hij de vakken muziek, Godsdienst en Latijn. Voor elke zondag en kerkelijke feestdag componeerde hij een cantate. Zodoende zijn de meeste kerkcantates (van de ongeveer 300 zijn een kleine 200 bewaard gebleven) in Leipzig ontstaan. Ook de passies, de Matthauspassion, de Hohe Messe, het Magnificat en het Weihnachtsoratorium BWV 248 (1734) ook wel Kerstoratorium genoemd, zijn in deze periode ontstaan. Het Weihnachtsoratorium schreef Bach toen hij 49 was, op het hoogtepunt van zijn carrière. In dezelfde tijd ontstond het Paasoratorium en het Hemelvaartoratorium. Bachs stadgenoot, Piccander, werkelijke naam Chr. Fr Henrici schreef de teksten voor zowel de Matthauspassion als het Weihnachtsoratorium.

Het uit zes delen bestaande muziekstuk staat geheel in het teken van de geboorte van Jezus en het Driekoningenfeest. Deel 1-3 behandelt eerste, tweede en derde Kerstdag, deel 4 Nieuwjaarsdag, deel 5 zondag na Nieuwjaar, deel 6 Drie koningen. Wat de Matthäus-Passion is voor de passietijd is het Weihnachts-Oratorium voor Kerst. Het Weihnachtsoratorium brengt vreugde en vrolijkheid. Geen droefenis en geen lijden. Het is kerstfeest in zijn volle glorie, een feest van schetterende trompetten, juichende koren, en fluweel klinkende hobo’s.

Heel opvallend is de opening met pauken en trompetten. Drie belangrijke koren en of koralen uit het Weihnachtsoratorium: Jauchzet, frohlocket; Wie soll ich dich empfangen; Ich steh an deiner Krippen hier.

BACH WEIHNACHTSORATORIUM NUMMER 506