Beethoven – Fidelio

Een muziekjournalist die Ludwig van Beethoven (1770-1827) een paar jaar voor zijn dood aan het werk zag tijdens een repetitie van de opera Fidelio schreef het volgende: ‘Met een verbijsterd gezicht en onaards bezielde ogen, met heftige bewegingen zijn dirigeerstok zwaaiend, stond hij temidden van de uitvoerende musici terwijl hij nauwelijks een noot hoorde. Als er zacht gespeeld moest worden kroop hij bijna onder zijn lessenaar en bij een fout sprong hij op met de vreemdste gebaren, onder het uiten van de meest merkwaardige geluiden. De meester bracht de zangers en orkest totaal in de war…’. In een brief aan zijn broer van 1802 gaf hij uiting aan zijn wanhoop. Hij gaf toe aan zijn toenemende mensenschuwheid en achterdocht, dit veroorzaakt door zijn toenemende doofheid.

De opera Fidelio (1814) gaat over Leonore die zich vermomd als man onder de naam Fidelio binnen de gevangenismuren weet te dringen. Daar probeert zij haar man Florestan op te zoeken die als politiek gevangene onder barbaarse omstandigheden onschuldig zit opgesloten in een onderaardse kerker. De verantwoordelijke voor deze eenzame opsluiting is gouverneur Don Pizzaro, deze laatstgenoemde koopt de cipier Rocco om om Florestan te doden voordat een minister een bezoek brengt aan de gevangenis. Rocco en de vermomde Leonore gaan in het onderaardse op zoek naar een geschikte plek voor het graf. Als Leonore haar reeds ijlende man ziet geeft zij hem een korst brood. Dan komt de gouverneur beneden om Florestan aan het mes te rijgen. Op het juiste moment springt Leonore met een pistool tussen beide en maakt zich bekend. De minister arriveert en laat de gevangenen vrij. Hoogtepunten: Mir ist so wunderbar, Kom Hoffnung, O welche Lust, O namenlose Freude en Wer ein holdes Weib errungen.

BEETHOVEN FIDELIO NUMMER 310