Berg – Lulu

Alban Berg (1885 – 1935) was een Oostenrijks componist. Samen met zijn leraar Arnold Schönberg en medestudent Anton Webern behoren zij tot de Tweede Weense School. (De Eerste Weense School werd gevormd door Haydn, Mozart en Beethoven). De Tweede Weense School was vanwege zijn avant-gardistische inslag weinig geliefd bij het grote publiek. De reden hiervan was het missen van een duidelijke melodie. De drie componisten waren in de ban van de twaalftoonstechniek ook wel dodecafonie genoemd. In deze compositiemethode zijn alle 12 tonen even belangrijk, zodat bijvoorbeeld een grondtoon en dominant ontbreken. Het op de planken brengen van Bergs’ werken werd bemoeilijkt door dat nazi-Duitsland moderniteit verbood.

Na het succes (1925) van zijn opera Wozzeck begon Alban Berg in 1928 met zijn tweede opera Lulu. Het verhaal brengt ons het bizarre leven van de mooie Lulu (sopraan), een danseres en femme fatale die aan de lopende band mannen verleidt. Zij wordt ook begeerd door een lesbische gravin (mezzo). Haar echtgenoot wordt gek van alle bewonderaars die om haar heen zwermen. Zij vermoordt haar jaloerse man en wordt gevangen gezet. Zij weet echter te ontsnappen maar wordt gechanteerd door duistere figuren die weten dat zij voortvluchtig is. Uit geldgebrek gaat zij de prostitutie in. Uiteindelijk gaat zij haar ondergang tegemoet als zij in aanraking komt met de seriemoordenaar Jack de Ripper.

De muziek brengt ons een mengeling van lyriek, romantiek, hevige dissonantie, sprechgesang, jazz, filmmuziek en declamatie. Toen de componist in 1935 overleed was de opera nog niet voltooid. In 1937, in Geneve, was de première in zijn onvoltooide vorm.

BERG LULU NUMMER 579