Berg – Zeven vroege liederen

De Oostenrijker Alban Berg (1885-1935) woonde zijn hele leven in Wenen. Zijn familie bezat eveneens een huis in de Alpen waar hij zomers veel verbleef. Berg was van adel en zeer bemiddeld. Hij ging om met de elite van de kunst en literatuur, waaronder de schilder Kokoschka, de dichter Altenberg, Alma mahler, de excentrieke vrouw van dirigent en componist Gustav Mahler, en de architect Walter Gropius. Zonder een muzikale opleiding nam hij in 1904 les bij de componist Schönberg.

Samen met Webern en Schönberg vormde Alban Berg de Tweede Weense School (tot de Eerste Weense School hoorden Haydn, Mozart en Beethoven). Hun manier van componeren bracht een revolutie teweeg in de muziek van de 20e eeuw. Sommige uitvoeringen van werken uit de Tweede Weense School veroorzaakten regelrechte schandalen vanwege de atonaliteit.

Berg schreef zijn Zeven vroege liederen (Sieben frühe Lieder) voor lage stem en piano in de periode 1905 – 1908. Ze werden herzien en georkestreerd in 1928. De nachtzijde van het leven is het thema en inspirerende kracht van het liedmateriaal. Het eerste lied heet dan ook Nacht. Het licht komt uit de duisternis en werkt heilzaam op de dag en niet andersom. In de andere liederen vinden we veel beelden die overbekend zijn uit de Duitse Romantiek: de magie van het donkere bos, het onheilspellend ruisen van de bossen, de stem van de nacht als de stem van de liefde, de nachtegaal, de nacht als brenger van de dood en dromen vol melancholie. Het vierde lied, Traumgekrönt  is op een tekst van Rainer Maria Rilke.

BERG ZEVEN VROEGE LIEDEREN NUMMER 448