Brahms – Hoorntrio

Ondanks dat de in Hamburg geboren componist Johannes Brahms (1833-1897) geen opera’s of symfonische gedichten schreef, is hij een alleskunner. Zijn kracht ligt in zijn liederen waarin het gewone (Duitse) volkslied zeer belangrijk is. Meesterwerken van de gelovige en gevoelige Brahms zijn het Deutsches requiem en de Altrapsodie. Vanzelfsprekend kunnen we ook niet om zijn symfonieën heen, waarvan de eerste, derde en vooral de vierde klinken als een klok.

Maar Brahms kan ook gerekend worden tot de topcomponisten van de negentiende eeuwse kamermuziek. Hij was hierin een gigant en een hoogwaardig opvolger van Beethoven en Haydn. Twee strijdsextetten, opus 18 en 36, steken met kop en schouders boven alles uit. Een ander meesterwerk uit zijn kamermuziekoeuvre is het trio in Es opus 40 voor piano, viool en natuurhoorn (hoorn zonder ventielen). Brahms speelde in zijn jonge jaren eveneens hoorn, net als zijn vader, die eveneens contrabas speelde. Zijn inspiratie deed hij op door een wandeling in de bossen van het Zwarte Woud.

In 1865, het jaar van zijn Hoorntrio (hoorn, viool en piano), stierf Brahms’ moeder. Het is bekend dat hij diepe gevoelens voor haar koesterde. Het langzame deel van het Hoorntrio met de tempoaanduiding Mesto (droevig) kan worden beschouwd als een treurlied voor zijn moeder. Na haar dood achtte Brahms de tijd rijp om zijn Deutsches requiem te voltooien, waar hij al in 1856 aan begonnen was toen zijn ontdekker, de componist Robert Schumann, was gestorven.

Iets later in de tijd, zo rond 1870 als Brahms ongeveer veertig jaar is, ondergaat hij een metamorfose. Het beeld van de slanke jongeman met zijn lange blonde haren en zijn haast meisjesachtig gelaat verdwijnt, om plaats te maken voor een zwaarlijvige Brahms met woeste baard en snor en een onafscheidelijke sigaar.

BRAHMS HOORNTRIO NUMMER 266