Brahms – Kamermuziek

De Duitser Johannes Brahms (1833 – 1897) heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten: grootschalige symfonische werken, koorwerken, concerten, liederen en kamermuziek.

Brahms componeerde 3 Pianotrio’s (piano – viool – cello) waarvan het eerste het meest wordt uitgevoerd. In 1854, op twintigjarige leeftijd schreef hij het Pianotrio 1 in B majeur. Het zeer romantische werk werd herschreven in 1889.

Brahms schreef 3 Pianokwartetten (piano – viool – altviool – cello). Kenners roemen de kwartetten -met hun prachtige melodieën en harmonieën- symfonisch. Pianokwartet 1 opus 25 in g mineur voltooide Brahms in 1861, hij was er in 1856 mee begonnen. Het kwartet werd door Schönberg (1874 – 1942) georkestreerd. Het kwartet valt met name op door het zigeunerachtige slotdeel. Pianokwartet 2 in A opus 26 kwam eveneens tot stand in 1861. Pianokwartet 3 in c mineur opus 60 stamt uit 1875. Vaak speelde Brahms zelf de pianopartij of liet hij dit over aan zijn vriendin Clara Schumann (1819 – 1896).

In 1864 werd het Pianokwintet in f mineur opus 34 voltooid voor twee violen, altviool en cello. Een aantal jaren eerder was het ontstaan als strijkkwintet (twee violen, altviool en twee cello’s). Ook heeft het werk nog als Sonate voor 2 piano’s geklonken. Zowel piano als strijkers spelen in het Pianokwintet een even belangrijke rol. De componist en muziekcriticus Robert Schumann (1810 – 1856) omschreef het werk als een symfonie in pocketformaat.

Brahms schreef 2 Strijksextetten (2 violen – 2 altviolen – 2 cello’s). Kenners omschrijven ze tot zijn beste werken uit zijn kamermuziek-oeuvre. Strijksextet 1 in Bes opus 18 ontstond 1859, de componist was toen 25 jaar. Zijn vriend en inspirator, de violist Joachim was één van de spelers tijdens de première. Strijksextet 2 in G opus 36 ontstond in 1864. Een gebroken liefdesrelatie kenmerkt het thema uit deel 1 met de noten A-G-A-(T)-H-E, de naam van zijn geliefde Agathe von Siebold een verdienstelijk zangeres.

Cellosonate 1 in e mineur opus 38 werd geschreven in de jaren 1862 – 1865. Het driedelige stuk (het adagio werd door de componist vernietigd) is hartstochtelijk, maar ook mild! Tijdens uitvoeringen speelde de toen dertigjarige componist de pianopartij zelf. Toen Brahms het stuk naar een muziekuitgever zond, weigerde deze het uit te geven. In het eerste deel is het hoofdthema gebaseerd op fragmenten uit Die Kunst der Fuge van Bach (1685 – 1750)

Cellosonate 2 in F opus 99 werd 20 jaar later gecomponeerd. Het werd ten doop gehouden door de cellist Robert Hausmann (1952 – 1909), een vriend van de componist, die eveneens de solist was in het vermaarde Dubbelconcert. Brahms droeg zijn Cellosonate tevens aan hem op. Haussman die een Stradivariuscello bespeelde, verzorgde eveneens de premières van Kol Nidrei van Bruch (1838 – 1920) en het Celloconcert van  Dvorák (1841 – 1904).

In 1891 schreef Brahms voor klarinettist Richard Mühlfeld (1856 – 1907) het Klarinettrio in a mineur opus 114 (klarinet – piano – cello). Brahms had deze super klarinettist de klarinetconcerten van Weber en Mozart horen spelen en was diep onder de indruk. Sober en romantisch, zo wordt het werk omschreven. Maar er waren ook lovende woorden als: ‘Het is alsof de 3 instrumenten verliefd op elkaar zijn.’ Aan zijn vriendin Clara Schumann (1819 – 1896) schreef hij ‘Je hebt nog nooit zo’n klarinettist horen spelen als Mühlfeld. Hij is absoluut de beste die ik ken.‘

Na het Klarinettrio componeerde Brahms nog een aantal werken met de klarinet in de hoofdrol: Sonates voor klarinet en piano en het fabuleuze Klarinetkwintet in b mineur opus 115 voor klarinet, 2 violen, altviool en cello. Hij componeerde het Klarinetkwintet in slechts 4 weken. Het melancholieke werk wordt als een van de hoogtepunten uit de kamermuziekliteratuur genoemd en doet volgens kenners niets onder van het beroemde Klarinetkwintet KV 581 van Mozart. Behalve Brahms en Mozart schreven de componisten Von Weber, Krommer, Glazoenov en Reicha ook klarinetkwintetten.

Een ander werk uit zijn kamermuziek oeuvre is het Hoorntrio in Es opus 40 voor piano, viool en natuurhoorn (hoorn zonder ventielen). Brahms speelde in zijn jonge jaren eveneens hoorn. In 1865, het jaar van zijn Hoorntrio stierf Brahms’ moeder. Het is bekend dat hij diepe gevoelens voor haar koesterde. Het langzame deel van het Hoorntrio met de tempoaanduiding Mesto (droevig) kan worden beschouwd als een treurlied voor zijn moeder. Een andere inspiratiebron deed hij op tijdens een wandeling in de bossen van het Zwarte Woud.

BRAHMS KAMERMUZIEK NUMMER 790