Bruckner – Strijkkwintet

Als jongeman was Anton Bruckner (1824-1896) actief als koordirigent en organist. Maar na zijn ontmoeting met Richard Wagner, later Bruckners afgod en grote voorbeeld, en kennismaking met diens muziek, stortte Bruckner zich geheel op het componeren van symfonische muziek.

Het Strijkkwintet in F moet als ‘tussendoortje’ gezien worden. Zijn ellenlange symfonieën werden in eerste instantie absoluut niet begrepen door pers en publiek.  Een van de weinigen die Bruckners muziek wel zag zitten, was Gustav Mahler die in dezelfde trant ging componeren. Mahler was een absolute fan van Bruckner.

Een dasspeld met diamant was de beloning die de Oostenrijker Bruckner ontving van de hertog van Beieren toen hij zijn Strijkkwintet in F (1879) aan hem opdroeg. In zijn jonge jaren had Bruckner, met behulp van een cellist zich al eens eerder gewaagd aan het maken van een strijkkwintet. Maar pas na zijn dood is dit werk boven water gekomen.

Het Strijkkwintet in F heeft als bezetting de eerste en tweede viool, twee altviolen en cello. Toen het stuk in 1879 aan de opdrachtgever (een vermaard violist en leider van een kamerensemble) werd overhandigd, toonde deze zich zeer gekwetst. Volgens de violist was het strijkkwintet namelijk onbespeelbaar, wat vooral voor het scherzo gold. Er waren critici die het strijkkwintet spottend ‘Symfonie voor vijf strijkers noemden. Gelukkig zetten andere ensembles het werk direct op hun repertoire en ook de hertog van Bieren was er zeer mee in zijn sas. Zo ver wij weten is het Bruckners enige grote werk voor kamermuziek. Het kwintet heeft vier delen en duurt ca 40 minuten. Het langzame deel uit het kwintet zou later enorm populair worden in de bewerking voor strijkorkest, onder de naam Adagio voor strijkers.

BRUCKNER STRIJKKWINTET NUMMER 313