Dvořák – Serenade voor strijkers

De Tsjech Antonin Dvořák (1841 – 1904) was organist en altviolist alvorens hij componist werd. In de jaren 50 van de negentiende eeuw speelde hij altviool in een orkest dat in cafés en op straat luchtige muziek speelde. Als autodidact componeerde hij muziek voor strijkinstrumenten, waarin de volksmuziek uit zijn streek de boventoon voerde. In de jaren 60 was hij altviolist bij het Praags Operaorkest en kwam hij in aanraking met het werk van zijn landgenoot Bedřich Smetana (1824 – 1884). Ook was hij actief als pianoleraar. Een van zijn leerlingen zou later zijn vrouw worden.

In de jaren 70 toen hij reeds een opera, een symfonie en verschillende strijkkwartetten had gecomponeerd, werd hij in zijn land een beroemdheid met het nationaal getinte werk voor koor en orkest Die Erben des Weissen Berges. De componist Johannes Brahms (1833 – 1897) zette zich in om de muziek van Dvořák te laten publiceren. Met name de Slavische dansen, gecomponeerd tussen 1878 en 1888, behaalden internationale triomfen.

Vanaf 1875 kwam alles in stroomversnelling: Dvořák kreeg erkenning als componist. Hij huwde en kreeg een zoon. In 1876 voltooide hij de Serenade voor strijkers in E opus 22. Het betreft een onbezorgd, zonnig, en zeer melodieus stuk voor strijkorkest. De vijf delen: Moderato – Menuetto – Scherzo – Larghetto – Finale. Even zo fraai klinkt de Serenade voor blazers opus 44 uit 1878.

Toppers uit het Dvořák repertoire zijn Dumka trio – Slavische dansen – Tsjechische suite -- Strijkkwartet in F – Symfonie 7, 8 en 9 – Celloconcert.

DVOŘÁK SERENADE VOOR STRIJKERS NUMMER 518