Gregoriaans

Het Gregoriaans is de officiële muziek van de katholieke kerk. De stijl wordt gekenmerkt door eenstemmigheid zonder begeleiding van instrumenten (a capella). Het gaat om vocale muziek. De teksten zijn in het Latijn.

De muziek dankt haar naam aan Paus Gregorius (rond 600 na Christus), die er een hobby van maakte om liederen van allerlei aard te verzamelen. Toch wordt er ernstig aan getwijfeld of deze paus inderdaad de ‘uitvinder’ van het Gregoriaans is. Er zijn namelijk melodieën aangetroffen van veel vroegere datum en niet te vergeten, uit meerdere windstreken. Omdat men toen nog niet beschikte over een ordentelijk notenschrift (zie eveneens notabene) werden vele liederen mondeling overgedragen. Voor elke gelegenheid of christelijke feestdag was er op een gegeven moment een lied aanwezig. In principe kent iedere dag zijn eigen melodie! Tijdens een mis komen de vijf vaste misdelen aan de orde: Kyrie-Gloria-Credo-Sanctus-Agnus Dei.

Een van de eerste geestelijken die de gezangen in de landstaal wilde hebben, was kerkhervormer Maarten Luther. Hij vond dat de bevolking die geen kennis had aan Latijn ook recht had om te weten wat er allemaal beweerd werd in de gezangen. Ondanks deze stroming hield het Gregoriaans stand. Toch zien we dat sinds de invoering van de volkstaal in de liturgie, in de jaren zestig van de twintigste eeuw, het Gregoriaans een aanzienlijk mindere plaats inneemt.

Een prachtig voorbeeld van hoe het Gregoriaans heden nog kan klinken, is de in 1993 verschenen cd Las Mejores Obras Del Canto Gregoriano, gezongen door Spaanse kloosterlingen.

GREGORIAANS NUMMER 473

Nota bene

NOTENSCHRIFT

De oudste melodie waarvan notatie bekend is dateert van 1400 voor christus. De melodie is geschreven op kleitablet en gevonden aan de kust, nu Syrië. Er staan muzikale afstanden aangegeven onder de lettergrepen van de tekst, bedoeld voor de lier. De tekst die de melodie begeleidt gaat over een gebed aan de godin van de boomgaarden om vruchtbaarheid te schenken aan het land.

Een ander bekend voorbeeld van geschreven muziek dateert uit de 6e eeuw, toen de Romeinse filosoof Boëthius de noten van de twee octaven die toen in gebruik waren met letters weergaf. Hij hanteerde een schaal die van A tot O liep, waarbij A voor de laagste en O voor de hoogste noot stond.

Pas rond 1020 ontwierp de Italiaanse muziektheoreticus Guido van Arezzo de huidige muzieknotatie, waarbij de noten op lijnen staan die de hoogte aangeven.
Guido voerde ook de gewoonte in om de noten uit te spreken als ‘do-re-mi-fa-sol-la-ti’. Deze aanduidingen worden nog steeds gebruikt in o.a. Spanje en Italië, terwijl wij in West-Europa zijn overgestapt op de letters ‘C-D-E-F-G-A-B’.