Händel – Concerti grossi

Al had hij een top baan als hofcomponist bij Koning George I in Londen, het leven was niet allemaal rozengeur en maneschijn voor de uit Duitsland afkomstige componist Georg Friedrich Händel (1685-1759). De componist mocht dan wel in zeer hoog aanzien staan – er werd zelfs een standbeeld voor hem opgericht – in de jaren twintig en dertig van de achttiende eeuw was het kwakkelen geblazen met zijn muziek. Het Londense publiek raakte uitgekeken op zijn opera’s met vaak diepgaande of mythologische onderwerpen. Toen de Bedelaarsopera (Beggar’s opera) van componist Johann Chr. Pepusch (1667 – 1752) op de planken werd gebracht, ontstond er een ware operarevolutie. De Beggar’s opera met haar gemakkelijke melodieën en alledaagse teksten behaalde rond 1730 tientallen uitvoeringen. Een opera, begrepen door het gewone volk. Even leek het gedaan met de carrière van de succesvolle Händel.

Naarstig zocht Händel naar nieuwe vormen om zijn publiek terug te winnen. Hij vond die in zijn Oratoria, luchtige orgelconcerten en Concerti grossi.

De Concerti grossi opus 3 en opus 6 uit de jaren 1734 – 39 getuigen van een groot meesterschap. Händel greep hierbij terug op de Concerti grossi van de Italiaan Arcangelo Corelli (1653 – 1713). Händels Concerti grossi bleken muzikale hoogstandjes te zijn. In een geraffineerde dialoog worden twee instrumentengroepen tegenover elkaar gezet en tegen elkaar uitgespeeld. Een kleine groep (concertino) en een grote groep (grosso). Afwisselend botsen en strijden de groepen om elkaar tenslotte weer te vinden. Door het spelen met spanning en ontspanning, levendigheid en rust, heftigheid en vriendelijkheid, hard en zacht – die verweven zijn in Concerti grossi – laat Händel zien dat hij reeds over de kennis beschikte, die later tijdens het Classicisme en Romantiek vanzelfsprekend zou worden.

HÄNDEL CONCERTI GROSSI NUMMER 150