Janáček – Sluwe Vosje

Leoš Janáček (1854 – 1928) wordt samen met Dvořák (1841 – 1904) en Smetana (1824 – 1884) gerekend tot de belangrijkste Tsjechische componisten. Janáček was een verwoed vertegenwoordiger van de volksmuziek uit zijn geboortestreek. Zijn standplaats was Brno (Moravië), na hoofdstad Praag, de tweede stad van Tsjechië. Zijn bekendste werken zijn Sinfoniëtta, Strijkkwartetten, Glagolitic mis en Teras Bulba. Zijn beginwerken worden meestal als treurig betiteld. Dit zou alles te maken hebben met een ongelukkig huwelijk en het vroegtijdig overlijden van 2 van zijn kinderen. Wanneer hij op latere leeftijd een nieuwe liefde ontmoet schrijft hij een aantal optimistische werken.

Janáček schreef verschillende opera’s. Vandaag de dag is zijn meest geliefde opera Het sluwe vosje (Příhody Lišky Bystroušky) uit 1924. In deze opera spelen twee verhalen door elkaar, dat van een mijmerende boswachter (bariton) en de belevenissen van een klein vosje (sopraan). De opera, een sprookje, is een mengeling van vrolijkheid en weemoed. In het werk laat de componist zijn liefde voor de natuur de vrije loop. Hij zet de dierenwereld tegenover de wrede mensenwereld. Janáček hanteert in de opera het zogenaamde Sprechgesang.

De boswachter vangt een vosje. Hij sluit het dier op. Het vosje doodt enkele van zijn kippen en weet te vluchten. Terug in het bos ontmoet hij zijn oude vrienden. Het vosje sticht een gezin maar wordt door een stroper (bas) gedood.

JANÁČEK SLUWE VOSJE NUMMER 690