Pärt – Werken

Arvo Pärt, de Etse componist werd geboren in 1935. Hij geldt als een van de belangrijkste hedendaagse componisten. Aanvankelijk componeerde Pärt onder invloed van Bartok, Sjostakovitsj en Schönberg maar later werd dat hoofdzakelijk sacrale muziek, georiënteerd op het gregoriaans, de middeleeuwse muziek en de Russisch-orthodoxe kerkmuziek. Voor velen is Pärt de componist die aan de nieuwe muziek weer een menselijk geluid gaf. Als geen ander weet hij met zijn muziek de mens in het hart te raken. Je hoeft overigens geen religieus mens te zijn om van zijn muziek te kunnen houden.

Belangrijk is de tintinnabuli stijl, een muziekstijl die door de componist is uitgevonden en waarin melodie en begeleiding één zijn. De stijl is ontwikkeld door mystieke ervaringen van de componist met de zangkunst. Slechts twee stemmen zijn belangrijk. De ene beweegt na elkaar de losse tonen van een drieklank = tintinnabuli. De drie noten van de drieklank zijn als klokken, de tweede, de melodische lijn, beweegt stapsgewijs. De werken hebben vaak een langzaam tempo en doen minimalistisch aan. Een tintinnabulum is een ceremonieel klokje of belletje dat dienst doet in een basiliek.

Solfeggio is een compositie voor gemengd a capella-koor uit 1963. Het is ogenschijnlijk een eenvoudig werk. Er wordt gezongen in de toonladder van C, op de lettergrepen van het solmisatie systeem: do – re – mi – fa – sol –la si – do.  Het werd voor het eerst uitgevoerd in Tallinn, de hoofdstad van Estland. Het stuk duurt ca 5 minuten.

Met thema’s van Bach in zijn achterhoofd componeerde Arvo Pärt in 1964 Collage über BACH. Het werk dat een kleine 10 minuten duurt is een mengeling van Bach en moderne muziek. De drie delen verwijzen naar de barok: Toccata – Sarabande – Ricecare. De bezetting is voor strijkers, hobo, klavecimbel, piano. In 1994 werd hetzelfde stuk uitgegeven onder de titel Concerto piccolo über BACH.  Hij herschreef het stuk in opdracht van het Göteborg Symfonieorkest. Concerto piccolo über BACH was nu eigenlijk meer een trompetconcert of een concertino voor trompet. De première werd gespeeld door meester-trompettist Hakan Hardenberger.

Für Alina (1976) is een korte pianocompositie gebaseerd op het geluid van klokjes, de tintinnabuli stijl. Arvo Pärt schreef het werk voor het meisje Alina, de dochter van een vriend. In de compositie speelt de rechterhand de melodie, die enigszins minimalistisch aandoet. De linkerhand speelt tonen uit een drieklank (b mineur), de imitatie van klokjes of belletjes.

In 1977 componeerde Pärt het tot op heden geliefde werk Fratres. Het is een van oorsprong voor strijkkwintet en blaaskwintet geschreven compositie. Het stuk is minimalistisch en zelfs hypnotiserend. Later volgden er vele uitvoeringen van andere instrumentencombinaties.

De compositie Spiegel im Spiegel uit 1978 werd een wereldhit. Eenvoud, melodie en harmonie waren de hoofdzaken. Spiegel im Spiegel is van origine geschreven voor viool en piano. Het stuk doet denken aan het minimalisme. De compositie kenmerkt de tintinnabuli stijl. De ene heeft een melodische lijn, de andere speelt de tintinnabuli klanken, losse tonen uit drieklanken.

In 1889 componeerde Arvo Pärt 2 sacrale werken: Miserere en Magnificat. Critici noemen het paradijselijke klanken. Het Miserere van Pärt is gebaseerd op 2 traditionele kerkelijke gezangen: Miserere en Dies Irae (Dag des oordeels). Miserere is een boetepsalm (psalm 51). ‘Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid …’ Om deze tekst goed door de luisteraar door te laten dringen heeft Pärt pauzes ingelast. Een tromroffel kondigt het laatste oordeel aan, een trombone verkondigt het einde van de wereld.

Het Magnificat van Pärt wordt een van zijn absolute meesterwerken genoemd. Het betreft een kort a cappella werk voor gemengd koor en zangsolisten. Ook in dit werk klinkt de tintinnabuli stijl. Menig componist schreef een Magnificat. De hoofdtekst luidt: Magnificat anima mea Dominum = Mijn ziel verheerlijkt de Heer.

Te Deum Laudamus = Wij loven U, O God. Door de eeuwen heen zijn er tal van Te Deums in de klassieke muziek verschenen: Bruckner – Britten- Purcell – Rutter – Charpentier e.a. Arvo Pärt voltooide in 1986 een indrukwekkend Te Deum voor drie koren (vrouwenkoor – mannenkoor – gemengd koor), strijkers, geprepareerde piano en windharp (eolische harp). Het stuk van Pärt doet hier en daar (met name aan het begin) Gregoriaans aan. Als een drone boven het stuk laat de windharp zijn monotone geluid horen. Tevens verbindt de windharp de delen met elkaar. Het werk is opgebouwd in drie delen: Lofprijzing – Aanroeping – Smeekbede. Het stuk duurt ca 30 minuten.

Stabat Mater is een middeleeuws gedicht over de treurende moeder onder het kruis van haar stervende zoon. Stabat Mater Dolorose = De moeder stond bedroefd. Het is talloze malen op muziek gezet. Een van de meest geliefde versies is die van Pergolesi (1710 – 1736). Arvo Pärt schreef in 1995 eveneens een Stabat Mater. Het inmiddels zeer geliefde stuk is geschreven voor drie zangers, sopraan, alt en tenor, en drie strijkers, viool, altviool en cello. Later kwam er een uitvoering voor gemengd koor en orkest. Het Stabat Mater van Pärt duurt een klein half uur.

De Kanon Pokajanen (Boetepsalmen) uit 1997 voor koor omvat alles wat de mensheid op aarde beleefd. De kanon is gebaseerd op boete en berouw zoals deze staat omschreven in oude manuscripten. Het meditatieve werk smeekt de mensheid tot ommekeer. Muziek en tekst spreken over dood en onsterfelijkheid, zwakte en kracht, de overgang tussen dag en nacht, het oude en nieuwe testament, het menselijke en het goddelijke… De muziek die Pärt toevoegt aan deze Slavisch Christelijke teksten uit de 6e eeuw voorziet in verstilling en bezinning. Het stuk bestaat uit negen odes. Het werk plaatst je bijna twee uur lang in een roes van tijdloosheid. Gezien de lengte van de Kanon Pokajanen worden odes ook wel apart uitgevoerd.

My Heart’s in the Highlands (Mijn hart is in de Hooglanden) duurt een kleine 9 minuten. Het betreft een compositie voor solozang (tenor of alt) en orgel. Het lied werd gecomponeerd in 2000 naar het gelijknamige gedicht van de Schotse dichter Robert Burns (1759 – 1796).  Het werd in het jaar 2000 in opdracht geschreven voor de stad Avignon, de toenmalige Culturele Hoofdstad van Europa. Door de eenvoud van ritme en droefgeestige monotone melodie heeft het lied veel weg van een smeekbede en geeft het een gevoel van mystiek en het verlangen naar een andere wereld.

Symfonie 4 werd in 2008 voltooid met de bijnaam Los Angeles. Het was een opdracht van het Los Angeles Philharmonic Orchestra. De symfonie is opgedragen aan alle politieke gevangenen die onterecht zijn opgesloten. Het zeer trage werk is geschreven voor harp, slaginstrumenten en strijkorkest en duurt circa 45 minuten. Naargelang het stuk vordert wordt het meer en meer dissonant, dit komt doordat er gelijker tijd in mineur en majeur wordt gespeeld.

PÄRT WERKEN NUMMER 789