Ravel – Bolero

De Bolero (1928) is als orkestwerk zo bekend geworden dat we bijna zouden vergeten dat het werk als balletmuziek is bedoeld. Choreografe en excentriek balletdanseres Ida Rubinstein vroeg de Fransman Maurice Ravel (1875 – 1937) delen uit Iberia van Albeniz te orkestreren en geschikt te maken om op te dansen. Maar toen Ravel met de klus wilde beginnen, had een collega componist het stuk van Albeniz al georkestreerd. Dus besloot Ravel geheel nieuwe muziek voor Rubinstein te componeren. Het werd de inmiddels wereldberoemde Bolero, met daarin een meesterlijk staaltje van instrumentatie-kunst. Het stuk beleefde haar première in de Parijse Opera en was van meet af aan groot succes.

In een half duister verlichte Spaanse herberg klimt een meisje op een grote tafel die midden in het café staat. Aangemoedigd door de mannen danst ze de Bolero die haar tenslotte in extase brengt.

Een Bolero is een van oorsprong Spaanse (Cubaanse) dans in een driedelige maatsoort. Vaak is dit een driekwartsmaat. Ravel zelf was niet bijster enthousiast over zijn werkstuk, dat eigenlijk meer een studie in het instrumenteren was. Het stuk is geschreven in een langzame driekwartsmaat en bevat maar twee thema’s die alsmaar herhaald worden en waaraan telkens nieuwe instrumenten toegevoegd worden. Eentonigheid alom, maar door het opzwepende ritme zit er zeker spanning in het stuk. Hier en daar doet het wereldberoemde stuk ietwat Oosters aan. Opvallend aan de Bolero is dat de kleine trom vanaf het begin tot het explosieve einde hetzelfde ritme speelt. In het gehele werk speelt het slaginstrument meer dan 4000 trommelslagen. In het symfonieorkest heeft ook een saxofoon plaatsgenomen. Het stuk duurt nog geen kwartier.

Ravel tijdens een interview: ‘De Bolero was geen kunst, het was een puur orkestraal experiment. In ben gefascineerd door het geluid van fabrieksmachines: stabiel en zonder versnelling. Zo moest ook het ritme in de Bolero klinken, net zo machinaal.’

RAVEL BOLERO NUMMER 078