Ravel – Rapsodie Espagnole

Spaanse componisten en critici krabden zich achter de oren, ze stonden er versteld van hoe het mogelijk was dat de Fransman Maurice Ravel (1875 – 1937) de Spaanse folklore zo raak kon vertolken in zijn Rapsodie Espagnole uit 1908. Ravel stond hierin echter niet alleen, ook Ravels landgenoot George Bizet (1838 – 1875) had met zijn opera Carmen al Spaanse muziek laten horen, en ook Claude Debussy (1862 – 1918) met zijn Iberia. En wat te denken van de Rus Nicolai Rimski-Korsakov (1844 – 1908) met zijn Spaans Capriccio. Vele componisten zouden nog volgen, want Spanje was in!

Vooral de Spaanse kritiek was lovend over Ravels eerste grote werk voor orkest. Men vroeg zich af hoe Ravel er zo goed in geslaagd was de Spaanse sfeer in het werk op te roepen. Ravel had echter het voordeel dat hij een Baskische moeder had. Zij was een vrouw die bijzonder verfijnd kon converseren, vloeiend Spaans sprak en boeiend kon vertellen over haar jeugd die ze in Madrid had doorgebracht. Reeds eerder, in 1895, had de componist het stuk voor 2 piano’s geschreven. In 1907 had Ravel een eveneens op Spanje gericht stuk gecomponeerd, L’heure Espagnole.

De Rapsodie Espagnole bestaat uit vier delen. In het eerste deel gebruikt Ravel een motief van vier noten dat telkens herhaald wordt en alleen onderbroken wordt door een solo van twee klarinetten en fagotten. Het tweede deel is een Malaquena, een dans in driekwartsmaat uit Zuid-Spanje. Daarna volgt de Habanera, een Cubaanse dans van Spaanse oorsprong met een loom ritme. Het werk wordt afgesloten met een opgewekt feest.

RAVEL RAPSODIE ESPAGNOLE NUMMER 338