Schubert – Forellenkwintet

De Oostenrijker Franz Schubert (1797 – 1828) kreeg vioolles van zijn vader en pianoles van een broer. Vanwege zijn mooie stem werd hij aangenomen als Sängerknabe bij het Weense hofkapel. Toen de baard in de keel kwam, kon hij vertrekken. Na een tijdje als onderwijzer gewerkt te hebben, werd hij componist. Als 17 jarige schreef hij het lied Erlkönig, dat geldt als een meesterwerk. Pas ná zijn dood, hij werd 31 jaar, kreeg hij erkenning. Momenteel wordt Schubert tot de grootste componisten gerekend.

Kunstenaars hebben door de eeuwen heen vaak oog gehad voor de schoonheid van de natuur. Talloze kunstwerken en muziekstukken zijn eraan gewijd. Ver weg van de boze wereld werden verzen geschreven, lommerrijke bosjes geschilderd en kabbelende beekjes in muziek omgezet. Twee liedcomponisten die zich vaak met een snik en een traan door de natuur baanden en zich lieten inspireren door de geuren en kleuren om hen heen, waren Franz Schubert en Robert Schumann (1810 – 1856).

Zo af en toe ging Schubert op pad met zijn vriend de baritonzanger Johann Vogl (1786 – 1840). Op één van deze reizen voelde Schubert zich zeer gelukkig, wat opmerkelijk was omdat hij meestal depressief was. Echter nu niet; de zon scheen, de geuren waren bedwelmend en de natuur toonde haar pracht en praal. Aanleiding voor Schubert om een meesterwerk te schrijven: het Forellenkwintet D.667 (1819).

Dit pianokwintet in A schreef hij voor de volgende bezetting: piano, viool, altviool, cello en contrabas. Het vijfdelige kwintet verdient zijn populariteit met name aan het vierde deel waarin zes variaties op het lied Die Forelle klinken. In Die Forelle (dat Schubert reeds in 1817 had geschreven) zwemt een forel vrolijk spetterend door het water, niet wetende dat een visser hem spoedig aan de haak zal slaan.

SCHUBERT PIANOKWINTET ‘FORELLENKWINTET’ NUMMER 015