Sibelius – Pelléas en Mélisande

Het waren geen kleine jongens die zich muzikaal bezig hebben gehouden met het symbolistische toneelstuk Pelléas en Mélisande van de Belgische dichter en toneelschrijver Maurice Maeterlinck (1862 – 1949). Claude Debussy (1862 – 1918) schreef er een opera over, Arnold Schönberg (1874 – 1942) een symfonisch gedicht, Gabriel Fauré (1845 – 1924) toneelmuziek en een orkestsuite, en de Finse componist Jean Sibelius (1865-1957) schreef er toneelmuziek en later een orkestsuite bij.

Over het algemeen roemt men de uitvoering van Pelléas en Mélisande (opus 80 uit 1898) getoonzet door Sibelius niet zo. Men juicht eerder de uitvoeringen van Debussy, Schönberg en Fauré toe. Toch heeft Sibelius een heel mooi werkstuk afgeleverd bij Maeterlincks toneelstuk. De 9 delige suite duurt ongeveer 20 minuten. Het werk kent een bijzonder mooie opening. De BBC-tv gebruikte een fragment uit het 1e deel voor het programma Sky at night. De Engelse hoorn speelt het personage Mélisande. Twee meest geliefde momenten zijn de delen 7 en 8.

De delen: 1.Op het kasteel 2. Mélisande 3.De kust 4.Lente in het park 5.Drie blinde zusters 6 Pasorale 7 Mélisande aan het spinnewiel 8 Entr’acte 9 De dood van Mélisande

Het toneeldrama speelt zich af in de middeleeuwen. De jagende prins Goloud ontmoet aan de rand van een bron in een donker bos een bijzonder mooi meisje, Mélisande genaamd, Zij vertelt dat haar kroon in het water gevallen is. De prins wordt verliefd op het meisje met het goudblonde haar. Zes maanden later zijn zij getrouwd, zonder dat de prins iets van het vreemde meisje afweet. Als het jonge paar bij het kasteel van koning Arkel, de vader van Goloud, aankomt, voelt Pelléas, de stiefbroer van Goloud zich onmiddellijk aangetrokken tot Mélisande. Later zitten Pelléas en Mélisande bij de fontein. Mélisande laat haar trouwring in het water vallen. Als Goulod merkt dat hij bedrogen wordt doodt hij zijn broer en verwondt Mélisande. Uiteindelijk zal zij aan haar verwonding sterven.

SIBELIUS PELLÉAS EN MÉLISANDE NUMMER 358