Gershwin – Rhapsody in blue

George Gershwin (1898-1937) werd geboren in New York. Op zestienjarige leeftijd kreeg hij een baan als plugger bij een muziekuitgever om nieuwe songs aan de man te brengen. De muziekuitgeverij bevond zich in de beroemde wijk Tin-Pan-Alley waar het bruiste van de muziekactiviteiten. Al snel begon de jonge Gershwin zelf songs te schrijven, meestal op teksten van zijn broer Ira (1896 – 1983). Gershwins muziek wordt omschreven als een mengeling van West-Europese muziek, jazz en de volksmuziek van de Amerikaanse zwarte bevolking. Het mag zeer bijzonder genoemd worden dat Gershwin les heeft gehad van de Amerikaanse Avant-gardist Henry Cowell (1897-1965), omdat er werkelijk geen spat van Cowells ideeën in Gershwins muziek te bespeuren valt.

De muziek van de duivel, zoals jazz toen genoemd werd, deed z’n intrede in de klassieke muziek in het begin van de twintigste eeuw. Verantwoordelijk hiervoor was George Gershwin.

In zijn Rhapsody in blue voor piano en orkest uit 1924 lijkt het symfonieorkest soms op een Big Band! Dit is niet verwonderlijk daar het stuk oorspronkleijk geschreven werd voor piano en jazzorkest. Later is het jazzorkest uitgebreid en aangevuld met strijkers (1942). Veel liefhebbers van klassieke muziek huiverden reeds bij de allereerste klanken van de jankende, langgerekte klarinettoon. De melodieën en ritmiek uit de Rhapsody in blue zijn duidelijk aan de jazz ontleend, maar er zitten ook overduidelijke kenmerken in die gebruikelijk zijn in klassieke werken. Zo is het stuk in een driedelige vorm geschreven. Gershwins samensmelting van jazz en klassiek zorgde voor veel enthousiasme bij de grote massa overal ter wereld. De critici waren echter van mening dat bijvoorbeeld Gershwins opera Porgy and Bess, met daarin het beroemde lied Summertime, meer berust op de principes van een musical, dan van een klassieke opera.

GERSHWIN RHAPSODY IN BLUE NUMMER 096