Mendelssohn – Hebriden

Toen Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) in 1829 per stoomschip richting Engeland voer, was hij reeds een bekend musicus. Behalve pianovirtuoos en dirigent had hij de muziek van Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) ontdekt. Hij ging om met de grote kunstenaars van zijn tijd.

Als twaalfjarige had Felix met zijn engelengezicht, zijn zwarte ogen en het krullend haar tot over zijn schouders vriendschap gesloten met de drieënzeventig jaar oudere Johann Wolfgang von Goethe (1749 – 1832). Verschillende malen logeerde de kleine joodse jongen bij de beroemde schrijver. Urenlang improviseerde het wonderkind op voornamelijk thema’s van Bach. De jonge Felix bracht Bachs muziek op een eigentijdse manier en componeerde tevens zijn eigen muziek. Goethe was gek op zijn ‘kleine charmeur’ en dat stak hij niet onder stoelen of banken.

Felix Mendelssohn bezat vele talenten. Hij verslond literatuur, was een uitstekend schilder en tekenaar, pianist, organist, dirigent en componist. Mendelssohn componeerde verschillende ‘reissymfonieën’ en stukken, zoals de Italiaanse symfonie (1833), de Schotse symfonie (1841) en de eveneens op Schotland geïnspireerde Hebriden-ouverture.

Het stuk werd geschreven naar aanleiding van een bezoek van Mendelssohn aan de Hebrideneilanden, met name het eiland Staffa, toen nog onbewoond. De ruwe zee liet op Mendelssohn een grote indruk na, evenals de woeste leegte en eenzame schoonheid van de natuur. Met de totstandkoming van dit werk werd Mendelssohn een onovertroffen landschapsschilder genoemd. De Hebriden-ouverture geldt als de eerste orkestrale natuurschildering in klanken.
MENDELSSOHN HEBRIDEN NUMMER 207