Mendelssohn – Hebriden

Toen Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) in 1829 per stoomschip richting Engeland voer, had hij al aardig naam gemaakt. Behalve pianovirtuoos en dirigent had hij Bach herontdekt. Hij ging om met de grote kunstenaars van zijn tijd. Zo had de twaalfjarige Felix met zijn engelengezicht, zijn zwarte ogen en het krullend haar tot over zijn schouders een innige vriendschap gesloten met de drieënzeventig jaar oudere Goethe. Verschillende malen logeerde de kleine joodse jongen bij Goethe. Urenlang improviseerde het wonderkind op voornamelijk thema’s van Bach. De kleine Felix bracht Bachs muziek op een eigentijdse manier en componeerde tevens zijn eigen muziek. Goethe was gek op zijn ‘kleine charmeur’ en dat stak hij niet onder stoelen of banken.

Mendelssohn bezat vele talenten. Hij verslond literatuur, was een uitstekend schilder en tekenaar, pianist, organist, dirigent en componist. Mendelssohn componeerde verschillende ‘reissymfonieën’ en stukken, zoals de Italiaanse symfonie, de Schotse symfonie en de eveneens op Schotland geïnspireerde Hebriden-ouverture.

Het stuk werd geschreven naar aanleiding van een bezoek van Mendelssohn aan de Hebrideneilanden, met name het eiland Staffa, toen nog onbewoond. De ruwe zee liet op Mendelssohn een grote indruk na, evenals de woeste leegte en eenzame schoonheid van de natuur. Met de totstandkoming van dit werk werd Mendelssohn een onovertroffen landschapsschilder genoemd. De Hebriden-ouverture geldt als de eerste orkestrale natuurschildering in klanken.
MENDELSSOHN HEBRIDEN NUMMER 207