Diepenbrock – Oeuvre

De in Amsterdam geboren Alphons Diepenbrock (1862-1921) was als musicus autodidact. Hij studeerde klassieke talen en heeft later deze klassieke achtergrond herhaaldelijk gebruikt in zijn toneelmuziek waaronder De Vogels, een blijspel van Aristophanus, waarvan de ouverture bijzonder populair is gebleven, Elektra (van Sophocles) en Gijsbreght van Aemstel (van Vondel) en een Ode aan Rembrandt. Ook schreef hij over muziek.

Diepenbrock was als leraar klassieke talen verbonden aan het Stedelijk Gymnasium in Den Bosch, maar koos uiteindelijk toch voor een loopbaan in de muziek. Zijn eerste grote bekendheid verwierf hij in 1902 met zijn Te Deum.

In het buitenland wordt Diepenbrock beschouwd als de belangrijkste componist van de nieuwe lichting van Nederlandse componisten en de grootste componist na Sweelinck (1562-1621). Voor zang en piano componeerde Diepenbrock veel liederen met pianobegeleiding waaronder Lied der Spinnerin, Der Abend, Clair de lune en Ik ben eenzaam niet meer alleen. Ook schreef hij liederen met begeleiding van symfonieorkest, waaronder Hymnen aan de nacht. In dit opzicht was hij een collega van zijn vriend Gustav Mahler (1860 – 1911). Van zijn kerkmuziek noemen we de grote mis Missa.

Diepenbrock woonde lange tijd in de Verhulststraat, nabij het Concertgebouw, waar zich op de bovenste verdieping een concertzaaltje bevond. 

Nederlandse componisten uit de tijd van Diepenbrock zijn onder andere: Bernard Zweers (1854 – 1924), de componist van het nationaal getinte stuk Aan mijn Vaderland, Cornelis Dopper (1870 – 1939) met zijn Rembrandt symfonie, Amsterdamse symfonie en Zuiderzee symfonie en Johan Wagenaar (1862 – 1941) van de Getemde feeks en Schipbreuk.

DIEPENBROCK OEUVRE NUMMER 137