Bartók – Roemeense dansen

Om de nazi’s te ontlopen emigreerde in 1940 de Hongaarse componist Béla Bartók (1881-1945) naar Amerika. Helaas werd hij daar gekweld door heimwee, ziekte en armoe. In 1944, een jaar voor zijn dood ging zijn Concert voor orkest met veel succes in première.

De karakteristieken van Bartóks muziek zijn nauw verbonden met zijn de liefde voor volksmuziek. Als componist en onderzoeker richtte hij zich in het bijzonder op de muzikale folklore van Hongarije en Roemenië, maar zijn interesse strekte zich uit tot ver buiten de Balkan. Jarenlang zocht hij in de meest afgelegen bergstreken en gehuchten van Oost-Europa naar de oorspronkelijke volkskunst. Honderden boeren en boerinnen zongen liedjes uit hun kindertijd die de componist opnam op een eenvoudige taperecorder. Zo ontstonden bijvoorbeeld zijn Hongaarse boerenliederen.

Volksmuziek leverde hem niet alleen inspiratie voor zijn composities, maar was voor hem bovendien een symbool van broederschap en verstaanbaarheid, een taal die landsgrenzen en sociale verschillen kon overwinnen. De studies en opnamen die hij samen met medestudent en componist Kodaly maakte, zijn van onschatbare waarde voor zijn latere topwerken. Helaas vernietigden de nazi’s een groot deel van zijn verzameling.

Bartók heeft vele honderden volksdansen en volksliederen bewerkt. Uit zijn beginperiode stammen de wereldberoemde Roemeense Volksdansen (1915). Deze zesdelige cyclus is oorspronkelijk voor piano. In 1917 werden ze bewerkt voor orkest. De oorspronkelijke melodieën, verzameld in de periode 1910 – 1912 werden door de componist in een nieuw harmonisch jasje gestoken. Met name de laatste drie dansen zijn onstuimig en volgen elkaar nagenoeg zonder onderbreking op in een uiterst snel tempo. Het temperamentvolle stuk duurt ca 8 minuten.

BARTÓK ROEMEENSE DANSEN NUMMER 317