Liszt – Hongaarse rapsodieën

De vader van Franz Liszt (1811-1886) was beheerder van schapenkuddes in een Hongaars dorp. Hij was een goed amateur musicus en gaf zijn zoon op jeugdige leeftijd pianoles. Het eerste concert (1819) van de kleine Franz was een sensatie en het begin van een carrière als pianovirtuoos.

Later leefde Franz Liszt als kosmopoliet. Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland en Rusland waren de landen waar hij zich ophield. Hij vierde er triomfen als de grootste pianist aller tijden. Als hij zo nu en dan zijn vaderland met een bezoek vereerde, was het feest in Hongarije. Men ontving de halfgod als een verloren zoon en overal hing de Hongaarse vlag uit. En dat terwijl Franz nauwelijks Hongaars sprak…

Van origine zijn de Hongaarse rapsodieën van Liszt zigeunermelodieën. Het zijn oude dansen van in Hongarije wonende en rondtrekkende zigeuners. In 1846 trok Liszt geruime tijd op met een groep zigeuners. In hetzelfde jaar begon hij aan zijn Hongaarse rapsodieën, maar een betere titel zou Zigeuner rapsodieën geweest zijn. Ook Johannes Brahms (1833 -- 1897) componeerde (arrangeerde) een twintigtal Hongaarse dansen.

Van de negentien rapsodieën werd nummer twee een absolute hit. Deze rapsodie 2 in cis mineur werd geschreven in 1847, een quatre-mains uitvoering schreef Liszt in 1874. De Hongaarse rapsodieën zijn van oorsprong voor piano. Later maakte Liszt er orkestversies van. De componist en wonderpianist stak zijn liefde voor de zigeunermuziek niet onder stoelen of banken. Bovendien koesterde hij grote bewondering voor wonderviolist Nicolo Paganini (1782-1840). Als jonge knaap woonde hij in het geheim concerten bij van deze duivelskunstenaar, want zijn ouders hadden hem dit verboden.

LISZT HONGAARSE RAPSODIEËN NUMMER 074