Strauss – Tod und Verklärung

Als componist was de in München geboren componist Richard Strauss (1864-1949) er vroeg bij. Amper zeventien jaar oud schreef hij zijn Serenade voor dertien blaasinstrumenten. Als gevolg daarvan ontving de jonge componist diverse opdrachten om soortgelijke werken te componeren. Blaasinstrumenten waren Strauss, als zoon van een beroemde solohoornist, overigens niet vreemd. Luister maar eens naar zijn twee hoornconcerten.

Richard Strauss was een expert in het componeren van symfonische gedichten. De verhalen die hij gebruikte, waren meestal direct verbonden met figuren uit literaire werken, bijvoorbeeld Don Juan of Tijl Uilenspiegel. Maar er zijn ook symfonische gedichten die los staan van de literatuur of verhalen.

Zo’n voorbeeld is Tod und Verklärung uit 1889. Strauss componeerde dit stuk op vijfentwintigjarige leeftijd toen hij ernstig ziek was. Overigens werd deze ziekte hem niet fataal; Strauss zou nog bijna zestig jaar van het leven genieten. Tod und Verklärung gaat over een stervende man (artiest) die zijn leven lang gestreefd heeft de hoogste doelen te bereiken. Strauss beschrijft de doodsangst van de man die zijn leven nog niet wil opgeven. Het ritmische motief van de eerste maten, gespeeld door geheimzinnige pauken, geven het nog kloppende hart en het koortsige bloed aan van de stervende. Hevige slagen in het orkest leiden een nieuwe aanval in van de dood. Even nog komt de jeugd terug, maar dan laat de man zijn hoofd voorgoed zakken. Een hartverscheurend stuk muziek van ca 25 minuten.

STRAUSS – TOD UND VERKLÄRUNG NUMMER 138