Mozart – Don Giovanni

De opera Don Giovanni uit 1787 van de Oostenrijkse componist Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) is een mengeling van komedie en horror. Het oorspronkelijke toneelstuk werd in 1630 voor het eerst uitgevoerd onder de naam De vrouwenverleider van Sevilla en de stenen gast. Het werd geschreven door de Spaanse dramaturg Tirso de Molina (1559 – 1648). Veel grote kunstenaars zoals Molière, Hoffmann, Poesjkin, Byron en Richard Strauss werden door het verhaal gegrepen en maakten hun eigen versies. Wat opmerkelijk is aan de versie van Mozart, is dat zijn luchtige muziek nauwelijks aansluit bij de harde tekst van zijn vaste librettist Da Ponte. Don Giovanni behoort samen met Die Zauberflöte, Cosi fan tutte en Le nozze di Figaro tot de top opera’s van Mozart.

Don Giovanni is een legendarisch figuur: hij is rijk, goddeloos en een ongeneeslijk vrouwenversierder. De opera opent wanneer Giovanni de schone Anna probeert aan te randen. De vader van Anna betrapt hem en daagt Don Giovanni uit tot een duel waarbij Anna’s vader door Giovanni aan het mes wordt geregen. De opera eindigt met de verdoemenis van Don Giovanni. Tussen deze twee momenten spelen zich situaties af die regelrecht richting geven aan een dramatische afloop. Zo zingt Don Giovanni’s bediende de beroemde aria Madamina waarin hij te kennen geeft dat zijn meester duizenden liefjes heeft en dat het voorval met Anna eigenlijk niets voorstelde. In een overmoedige bui probeert Giovanni een boerenmeisje tijdens haar bruiloft te verleiden. Wanneer iedereen zich vervolgens tegen hem keert, verbergt hij zich op het kerkhof. Met het standbeeld op het graf van de vader van Anna maakt Giovanni de afspraak om samen te dineren. Diezelfde avond verschijnt het standbeeld aan Giovanni. Hij vraagt hem zijn berouw te tonen, hetgeen Giovanni weigert. Het gevolg is dat de zondaar luid schreeuwend in het hellevuur wordt gekieperd.
Twee andere toparia’s in deze opera: Mi tradi en Non mi dir.

MOZART DON GIOVANNI NUMMER 128