Mahler – Fahrenden Gesellen

In de jaren tachtig van de negentiende eeuw doet de Oostenrijkse componist Gustav Mahler (1860-1911) er van alles aan om aan de bak te komen. Zo dirigeert hij tweederangs gezelschappen met vrijwel onervaren zangers en muzikanten. Een beroerde tijd voor het aankomend genie, maar gelukkig wordt hij in 1885 door een samenloop van omstandigheden in Praag gevraagd om de muziek van zijn idool Richard Wagner (1813 – 1883) te dirigeren.

In 1884 wordt Mahler hartstochtelijk verliefd op een jonge zangeres. Zij vormt een bron van inspiratie voor de liederencyclus Lieder eines fahrenden Gesellen. Het werk bestaat uit vier liederen voor mannenstem en orkest (orkestliederen.): 1. Wenn mein Schatz Hochzeit macht. 2. Ging heut’ Morgen übers Feld. 3. Ich hab’ ein glühend Messer. 4.Zwei blauen Augen. Ondanks de verliefdheid en de romantiek zet Mahler in het stuk een afspiegeling van de eenzaamheid neer die hij op dat moment ervoer. Het onderwerp lijkt verwant met de Winterreise van Franz Schubert (1797 – 1828). Tevens uit de componist zijn bedroefdheid voor de minachting van zijn talenten.

De meeste teksten voor deze ‘luchtige’ liederen zijn van Mahler zelf. Hij zou hierover geschreven hebben: ‘Hier laat zich de Boheemse muzikant horen, sentimenteel als hij het over zijn liefje heeft, maar zuiver in zijn verering van de natuur’. In het werk is de eenvoud van het dagelijkse boerenleven inderdaad duidelijk te horen. De componist gebruikt eveneens teksten uit zijn geliefde gedichtenbundel Des Knaben Wunderhorn.

Hoe gehecht Mahler aan de vier orkestliederen raakte, blijkt uit het feit dat hij thema’s uit het tweede en vierde lied gebruikte voor zijn Symfonie 1, bijgenaamd Titan. Mahler zette met Fahrenden Gesellen direct de toon voor wat in de toekomst komen ging: het typische klagende Mahlergeluid vol volksliedthema’s, waar men in den beginne zo minachtend over sprak.
MAHLER LIEDER EINES FAHRENDEN GESELLEN NUMMER 374