Glinka – Ouvertures

Michail Glinka (1804-1857) groeide op in weelde als zoon van een Russische landheer. Hij verkeerde in de adellijke kringen van Sint Petersburg en kwam daar in aanraking met vooral westerse muziek. Als kind bezocht hij uitvoeringen door het huisorkest van een welgestelde oom. Zijn eerste pianolessen kreeg Glinka van een kindermeisje. Tevens leerde hij vioolspelen. In Petersburg kreeg hij les van de Ierse componist en beroemd pianist John Flield die in die jaren in Rusland verbleef. Tijdens reizen naar Italië, Duitsland en Frankrijk bezocht Glinka concerten van opera’s, symfonieën en soloconcerten van westerse meesters. Toch behield hij de liefde voor de Russische muziek

Na jarenlang intensief contact met de westerse muziek gehad te hebben, legde Glinka zich toe op de volksmuziek uit zijn vaderland. Zo werd hij de vader van de Russische Nationale school genoemd. Hij gold als voorbeeld voor de componistengroep ‘De machtige vijf’ (Moessorgski, Rimski-Korsakov, Borodin, Cui, Balakirev). Glinka’s eerste grote werk was Het leven van de Tsaar uit 1836. Behalve dat deze opera een fantastische ouverture bezit met invloeden uit Italië, wijst het machtige slotkoor naar de echte Russische muziek zoals zijn opvolger Modest Moessorgski dat later zou doen.

Briljante staaltjes van instrumentatie ook in zijn ouverture voor de opera Rusland en Loedmilla uit 1842 op tekst van Poesjkin. In deze sprookjesopera blijkt Glinka zijn tijd ver vooruit door op hetzelfde moment twee orkesten te laten spelen. Verder componeerde Glinka een kleine honderd Liederen.

GLINKA OUVERTURES NUMMER 437