Ravel – La Valse

Al in 1906 had Maurice Ravel (1875-1937) vrienden geschreven dat hij van plan was een grote wals te componeren. Het moest een soort hommage aan de grote Strauss worden. Niet aan Richard Strauss (1864 – 1949), schreef hij er nadrukkelijk bij, maar aan de andere, Johann Strauss (1825 – 1899). Toch was men jarenlang de mening toegedaan dat La valse uit 1920 een parodie was op de walsen van Johann Strauss en andere walskoningen. Gelukkig zijn de tijden veranderd; nu wordt La valse beschouwd als juist een eerbetoon aan de Weense wals. Toch zijn er nog genoeg mensen die menen dat het stuk een muzikale schildering is van een stervend Wenen.

De bekende choreografe Ida Rubinstein (1863 – 1960) was nauw betrokken bij dit meesterwerk van Ravel. Zij verzorgde de balletenscenering nadat de oorspronkelijke opdrachtgever, de Russische balletmeester Serge Diaghilev (1872 – 1929), het werk had afgedaan als een non-ballet. Volgens de componist beeldt het eerste tafereel de geboorte van de wals uit. Het tweede deel laat ons zwevende dansparen zien van het Wenen van Johann Strauss en zijn familie. Het derde deel is een keizerlijk dansfeest waar niemand zich kan onttrekken aan het walsritme. Als het hoogtepunt bereikt is stort de wals ineen.

De eerste uitvoering was in december 1920 te Parijs. De versie voor 2 piano’ s was al enige tijd eerder uitgevoerd. Ravel droeg La valse op aan een vriendin, genaamd Misia Sert. Een bekende musicoloog over het fascinerende stuk: ‘Het is niet zo maar een wals, het is een wals over walsen, een wals die over zich zelf heen walst…’.

RAVEL LA VALSE NUMMER 211