Bruckner – Symfonie 9

Anton Bruckner (1824-1896) was de zoon van een onderwijzer uit het Oostenrijkse Ansfelden, bij Linz. Thuis ontving hij zijn eerste muzieklessen. Van een baantje als hulponderwijzer kon hij nauwelijks leven, vandaar dat Bruckner er ’s avonds wat bij schnabbelde als cafémuzikant. Bruckner kreeg van veel verschillende mensen muziekles.

In 1848, toen hij inmiddels geen onderwijzer meer was, kreeg Bruckner zijn eerste officiële muziekbaan als organist. Bruckner kan getypeerd worden als een plattelander die zijn leven lang vocht om erkenning te krijgen als componist. De baan van zijn leven kreeg hij in 1855 toen hij benoemd werd tot orangist van de Dom In Linz. Toen hij zestig was lukte het hem als componist voet aan de grond te krijgen met zijn Symfonie 7. Eindelijk was daar de erkenning als componist!

Behalve dat Bruckner onhandig was, was hij vanwege zijn plattelandsaccent soms ook moeilijk te volgen. Zijn uiterlijk baarde eveneens opzien: Bruckner ging vaak gekleed in een veel te ruime jas die hij combineerde met flodderbroek met te korte pijpen. Dit laatste droeg hij om het orgelspelen te vergemakkelijken. Ondanks veel onbegrip en tegenslagen lukte het hem uiteindelijk om een van de grootste organisten van zijn tijd te worden!

De Symfonie 9 heeft Bruckner niet voltooid, maar toch is het een van de grote torso’s uit de muziekgeschiedenis geworden. Een zieke Bruckner werkte er aan in de periode 1891-1896. Het prachtige Adagio uit deze symfonie is Bruckners zwanenzang geworden. Twee delen ontbreken aan de symfonie, op zijn sterfbed lagen de schetsen voor de slotdelen klaar. Kenners beweren dat hij zijn Te Deum als slot voor deze symfonie had bedoeld. Net als Beethoven wilde Bruckner met een slotkoor en solisten zijn laatste symfonie laten afsluiten. Tegenwoordig willen dirigenten uit eerbied voor de componist nog wel eens gehoor geven aan Bruckners stille wens en voegen zijn Te Deum aan de Symfonie 9 toe. Hij droeg zijn Symfonie 9 op aan zijn ‘Lieve Heer’.

BRUCKNER SYMFONIE 9 NUMMER 018