Schönberg – Pierrot Lunaire

Mede door toedoen van de componist Arnold Schönberg (1874 – 1951) ging de traditionele westerse klassieke muziek op de schop. De componist bracht een nieuwe manier van componeren teweeg door middel van de dodecofonie (dode = twaalf, fonie = geluid of toon), ook wel twaalftoonstechniek genoemd. Een voorwaarde voor deze techniek was dat geen enkele toon belangrijker mocht zijn dan de andere, ook dienden zij even vaak voor te komen in een compositie. Zo doende raakte de traditionele muziek bijvoorbeeld zijn tonica (grondtoon) en dominant kwijt. Medestanders waren o.a. Schönbergs leerlingen Alban Berg en Anton Webern. De drie genoemde componisten behoorden tot de zogeheten Tweede Weense School. De avant-garde muziek van na 1940 is sterk beïnvloed door de Tweede Weense School.

Voordat Schönberg overging tot de atonaliteit, schreef hij rond 1900 twee belangrijke werken (mede beïnvloed door Wagner en Mahler) waar nog wel degelijk de normale tonaliteit in stand werd gehouden: De Gurrelieder en Verklärte Nacht.

In 1912 voltooide Schönberg zijn opus 21, Pierrot Lunaire. Het werk, bestaande uit 21 liederen, is geïnspireerd op gedichten rond Pierrot, de clown uit de commedia dell’arte. Het werk is geschreven voor spreekstem (meestal sopraan) begeleid en omspeeld door dwarsfluit en piccolo – klarinet en basklarinet – viool en altviool – cello – piano. Pierrot Lunaire wordt tegenwoordig beschouwd als een standaardwerk in de modern-klassieke muziek. De première vond plaats in 1912 in Berlijn. Niet iedereen was even enthousiast over de soms godslasterende teksten, de avant-garde klanken en opvallende instrumentatie. Het stuk duurt ca 35 minuten.

PIERROT LUNAIRE NUMMER 719