Bach – Brandenburgse Concerten

Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) schreef zijn meestercomposities (instrumentaal) voornamelijk in de periode toen hij als kapelmeester werkzaam was in Köthen (rond 1720). Omdat men in Köthen, vanwege het gereformeerde geloof, nauwelijks aan kerkmuziek deed, schreef Bach hier zijn meeste instrumentale werken, waaronder de Brandenburgse concerten en de Vioolconcerten in a en e mineur. In de protestante kerken stond soberheid op de eerste plaats. Dat betekende dat niets het woord van God mocht afleiden. Geen schilderingen, geen gekleurde ramen, geen beelden van Maria en haar Zoon en ook geen muziek. Voor de muziekliefhebber prins Leopold en zijn hof componeerde Bach danssuites, concerto’s, en partita’s voor allerlei instrumenten. De tijd in Köthen was voor Bach een zeer aangename periode.

De zes Brandenburgse concerten staan te boek als concerti grossi. Een concerto grosso is een compositie voor orkest met daarin een solistengroep (concertino).

Hoewel alle zes Brandenburgse concerten in geen enkele klassieke collectie mogen ontbreken, volgt hier een korte toelichting op de nummers 2 en 6.  Brandenburgs concert 2 is een duidelijk concerto grosso, met in het concertino blokfluit, trompet, hobo en viool. In dit tweede concert is een bijzondere rol weggelegd voor de hoge trompet partij: het vereist een fabelachtige techniek en is een uitdaging voor trompettisten. Oorspronkelijk schreef Bach deze partij niet voor trompet maar voor clarino, een voorloper van de huidige trompet.

Brandenburgs concert 6 is in tegenstelling tot het tweede donkerder van aard. Met name de lage strijkinstrumenten bepalen de sfeer. Dit concerto grosso is nog  in de oude stijl gecomponeerd en het concertino bestaat enkel uit strijkinstrumenten. Bachs meesterschap van de polyfonie komt in dit concert in alle opzichten tot uiting.

De zes bruisende Brandenburgse concerten eisen van de musici een grote technische en muzikale vaardigheid. Tegenwoordig behoren deze concerten tot de hoogstandjes uit de muziekliteratuur, ze vormen dan ook een hoogtepunt in Bachs oeuvre. Overigens noemde Bach de 6 concerten Zes concerten voor meerdere instrumenten. Een Duitse musicoloog gaf later de titel Brandenburgse concerten.

Behalve het ensemble bevatten de zes Brandenburgse concerten de volgende concertino’s:

1 In F: 2 hoorns – hobo – fagot – viool; 2 In F: trompet – blokfluit – hobo – viool; 3 In G: 3 violen – 3 altviolen – 3 cello’s

4 In G: viool – 2 blokfluiten; 5 In D: dwarsfluit – viool – klavecimbel; 6 In Bes: 2 altviolen – 2 viola da gamba – cello

BACH BRANDENBURGSE CONCERTEN NUMMER 017