Borodin – Prins Igor

De Rus Alexander Borodin (1833-1887) behoorde tot de componisten die folklore en legendes uit het vaderland hoog in het vaandel hadden staan. Borodin werd mede daarom lid van de ‘Groep van vijf’, ook wel het ‘Machtige hoopje’ genoemd, de haast beruchte componistengroep die, geïnspireerd door hun mentor Michael Glinka (1804-1857) de Russische muziek in ere hield en de westerse muziek buiten de deur trachtte te houden. Een componist die flink wat te verduren had van het ‘Machtige hoopje’ was Peter Tsjaikovski (1840-1893). De leden van de groep waren Modest Moessorgski, Cesar Cui, Alexander Borodin, Nicolai Rimski-Korsakov en Mili Balakirev.

Borodin was hoogleraar in de scheikunde. In deze kringen was hij een beroemd man. Als muzikant daarentegen had hij geen opleiding. Hij werd daarom herhaaldelijk geholpen door zijn vrienden uit de ‘Groep van vijf’.

Prins Igor is een krijgsverhaal met duels en liefdesscènes uit de twaalfde eeuw. Een vader en zijn zoon worden gevangen genomen door een Tartaarse heerser. De gevangengenomen zoon wordt verliefd op de dochter van de Tartaar en de vader weet te ontsnappen. Heel beroemd is de aria Medlenno djen oegasal (Langzaam begon de dag te vervagen) en natuurlijk de Polowetser dansen. Veelal worden de Polowetser dansen als een zelfstandig muziekstuk opgevoerd.

Toen de componist in 1887 stierf was de opera nog lang niet af. Russische muziekvrienden van Borodin snelden toe en maakten het werk af aan de hand van de schetsen die klaar lagen. De opera ging in 1890, drie jaar na de dood van de componist in première. Eén van de vrienden van Borodin die meehielp de opera af te schrijven was de muzikale duizendpoot Rimski-Korssakov, een genie in het instrumenteren.

BORODIN PRINS IGOR NUMMER 472