Suppé – Dichter und Bauer

Franz von Suppé (1819-1895) was de zoon van een Belgische vader en een Oostenrijkse moeder. Zijn oom was de operacomponist Donizetti. Von Suppé lijkt regelrecht uit een sprookje tevoorschijn gekomen. Niet alleen om zijn honderden composities bij toneelstukken, balletten, sprookjes en kluchten, maar ook om zijn soms zeer aparte levensstijl. Zo was zijn werkkamer behangen met doodskoppen en andere macabere snuisterijen, en zocht hij voor een tukje soms een doodskist op.

De muziekvorm de operette, de lichtzinnige en vrolijke tegenhanger van de opera, was vooral geliefd als volksmuziek en uitermate geschikt om in de theaters en balzalen van Wenen in de tweede helft van de negentiende eeuw opgevoerd te worden, evenals de wals, de polka, de mars en het liefdeslied. Dat de grote jongens van de klassieke muziek niets met deze lichte muziek te maken wilden hebben, is algemeen bekend. Een groot man als Johann Strauss voelde zich ontzettend klein in de buurt van Mahler, Bruckner, Wagner en consorten. Slechts de bekende klassieke componist Johannes Brahms stond erom bekend de luchtige Weense Wals een warm hart toe te dragen.

Een zeer bekende operette van Von Suppé is de Leichte Kavallerie uit 1866. Von Suppé’s muziek wordt vaak omschreven als elegant. Von Suppé geldt als een van de eerste componisten van de Weense operette.

Wereldroem verkreeg de componist met de ouverture van Dichter und Bauer (1846). Het stuk behoort tot de meest populaire werken van het lichtklassieke repertoire. Het stuk staat ook vaak op de lessenaars van fanfare- en harmonieorkesten. Dichter und Bauer werd geschreven als onderdeel van de toneelmuziek voor de gelijknamige komedie van Karl Elmar. Franz von Suppé kreeg de opdracht om voor deze klucht de openingsmuziek te componeren.

VON SUPPÉ DICHTER UND BAUER NUMMER 467