Duparc – Liederen

De Franse componist Henri Duparc (1848-1933) wilde eigenlijk rechten gaan studeren, maar koos uiteindelijk voor de studie piano en compositie bij de Cesar Franck. Van zijn composities is weinig bewaard gebleven omdat hij veel vernietigde. Maar zijn dertien melodieën voor stem en piano staan tot op het heden op het repertoire. Verschillende ervan zou hij tevens voor orkest bewerken. Duparc stopte met componeren toen hij zesendertig jaar was. Hij leed aan een zenuwziekte die hem niet meer in staat stelde om te componeren. Bovendien werd hij door een mislukte oogoperatie gedeeltelijk blind. Vanaf 1919 leefde hij teruggetrokken en eenzaam zonder nog maar één noot op papier te zetten. Aan een vriend schreef hij: ‘Ik treur om wat ik niet gemaakt heb, zonder mij te bekommeren wat ik ooit maakte’. De onfortuinlijke componist ligt begraven op het beroemde kerkhof Père-Lachaise in Parijs.

De zelfkritische Duparc liet maar een handjevol werken na, waaronder een aantal liederen op teksten van Baudelaire, Gautier en Goethe, stuk voor stuk meesterlijke miniaturen. We noemen: Chanson triste (uit 1868 en het oudste lied van de componist), La vie anterieure en L’imvitation au voyage. Een muziekcriticus over de liederen van Duparc: ‘De bijna twintig liederen die Duparc tussen 1860 en 1885 schreef, behoren tot de meest ontroerende muziek die ooit in Frankrijk werd gecomponeerd’.

DUPARC LIEDEREN NUMMER 125