Gluck – Orfeo

De Duitser Christoph Willibald von Gluck (1714-1787), zoon van een boswachter, wordt beschouwd als de eerste operahervormer. Gluck vond het verhaal van de opera het belangrijkste, de begeleidende muziek diende slechts in alle eenvoud te ondersteunen. Ook fraaie capriolen van de zangers waren voor Gluck uit den boze. De ketting van operacomponisten leek gesloten met Monteverdi – Gluck – Mozart – Verdi – Wagner.

Rond 1700 was de opera een spektakelstuk met zangstemmen die tot doel hadden het publiek te vermaken met schitterende aria’s vol acrobatiek. De componisten van deze spektakelstukken hadden het doel voorbij gestreefd, immers de werkelijke reden waarmee componisten als Monteverdi (1567-1643) de eerste opera’s schreven, was gericht op herleving van het oude Griekse treurspel. Daar kwam in het begin van de achttiende eeuw weinig van terecht. Pracht en praal was het doel, terwijl het verhaal, de tekst, het libretto als onbelangrijk werd beschouwd. Maar bij zowel Monteverdi als zijn opvolger Gluck werd het zingend spreken (recitar cancando), en woorden om te zetten in muziek, belangrijker dan de acrobatiek in de muziek.

In 1762 componeert Von Gluck de opera Orpheus en Euridice. De componist vertelt in heldere en zeer aangrijpende taal het verhaal van Orfeo die nederdaalt in het rijk der doden om zijn vrouw Euridice, die gestorven is aan een slangenbeet, terug te halen. Het weemoedige gezang van Orfeo is voor een groot deel bepalend voor de opera. De aria Che farò senza Euridici? (Wat moet ik zonder Euridice?) is de grote hit uit deze opera. Andere hoogtepunten zijn de aria’s Chiamo il mio ben cosi en Che puro ciel.

Andere opera’s: Alcesta (1767) – Iphigenie en Aulide (1774) – Armide (1777) – Iphigenie en Tauride (1779)

GUCK ORFEO NUMMER 192