Mahler – Symfonie 1

Gustav Mahler (1860-1911) werd geboren uit joodse ouders. Zijn moeder was een dromerig type, erg gevoelig, en een vrouw die zich volledig het zwijgen liet opleggen door haar dominante echtgenoot. Als kleine jongen was Gustav soms getuige van flinke ruzies. Vaak vluchtte hij dan uit huis om in de natuur zijn rust te vinden.

Titan, Gustav Mahlers Symfonie 1 uit 1888, werd voor het eerst in Boedapest uitgevoerd. Het werk dankt zijn naam aan de roman Titan van de schrijver Richter (Jean Paul) waarin een genie aan zijn eigen natuur ten onder gaat. Richter zou het voor Mahler zelf bedoeld kunnen hebben, want was Mahler in de muziek een genie, als burger kon hij zich nauwelijks staande houden in het harde bestaan van het dagelijks leven. Symfonie 1 werd met matig enthousiasme ontvangen. Mahler zag zijn toekomst als componist somber in, hij besloot daarom een carrière  als dirigent aan te gaan.

Tegenwoordig wordt Mahler in de eerste plaats een symfonicus genoemd, doch de grondslag van zijn magistrale symfonieën met reuzenorkesten ligt meestal in het eenvoudige volkslied of boerenlied. Zo wordt bijvoorbeeld het eerste lied uit de cyclus Lieder eines fahrenden Gesellen één van de hoofdthema’s van Titan.

Kenmerkend voor de Titan is de hoeveelheid aan signaaltjes. Met name de hoorn, een instrument dat overigens veelvuldig bij Mahler voorkomt. Dit overmatig gebruik van signalen grijpt terug naar de herinneringen van de componist aan het kazerneterrein dat in de buurt van zijn ouderlijk huis stond, en waar hij als kleine jongen luisterde naar de militaire muziek. Het meest bekende uit Symfonie 1 is het derde deel, met Broeder Jakob in mineurstemming. Het verbeeldt een dodenmars met een glimlach, waar in een bos een optocht van dieren een jager ten grave wordt dragen. In het vierde deel is het abrupt gebeurd met de rust: schreeuwende dissonanten maken een einde aan het vredige voorafgaande.

MAHLER SYMFONIE 1 NUMMER 107